De ophaalbrug neerlaten in Leegkerk

Het ingeslapen, zondagse Leegkerk is inmiddels wel gewend aan de middagen die Gelly Talsma daar voor de Culturele Onderneming in het kerkje organiseert, maar vandaag is de zondagse dis toch net even anders geserveerd: met schijnbaar verdwaalde tieners die bij de bushalte uitstappen en met enigszins angstige ogen rondkijken waaruit spreekt ‘waar ben ik?’ maar ook vooral ‘waar is Tim Hofman?’. Sommigen van hen kunnen aanhaken richting kerk bij Joost Oomen, die het interview die middag af zal nemen. Ik vraag mij af of ze hem ook hebben herkend.

Even verderop is op de deur van het kerkje zelf een A4-tje met ‘uitverkocht’ geplakt. Binnen staan nog meer tieners (en ouders) te dringen. Wie geen kaartje heeft, mag toch even snel proberen zijn/haar bundel gesigneerd te krijgen. Knap lastig, want ook aan de tafel van Tim staat een rij. Iedereen wil met hem op de foto, en hij neemt ook voor iedereen de tijd om kennis te maken. Wij worstelen ons langs de drukte en nestelen ons op een soort zoldertje waar het rustig is, want dat is natuurlijk wel een beetje ver van Tim af.

Voor iemand die over zichzelf zegt dat hij zich altijd zo slecht kan concentreren, heeft Tim een engelengeduld met zijn fans. En met taalspel, dat blijkt ook uit een aantal van zijn gedichten: zorgvuldig bedachte verzen als ‘Eenzaam, twee samen’ en het klankspel in zijn gedicht over Vincent van Gogh wijzen erop dat we hier te maken hebben met iemand die plezier heeft in oefenen, uitproberen en omgooien. Hij is een dichter, en dat beaamt hij ook tijdens het gesprek, die graag wil dat inhoud en vorm op elkaar aansluiten, dat een gedicht een ‘rond verhaaltje’ is, dat het technisch strak in elkaar zit. Qua inhoud boet zo’n gedicht daardoor soms in, maar dat mag de pret niet drukken: zelden sprak zo’n Culturele Zondag dit publiek aan. Het is zoeken naar de gebruikelijke grijze koppies, en wat nog het alleropvallendst is: iedereen heeft Gedichten van de broer van Roos ook gelezen. Bij het gedicht over Van Gogh (inspiratie: ‘wat gaat er door je heen vlak voordat je je oor afsnijdt?’) zegt Tim ‘deze is best moeilijk hoor, pak anders even de bundel erbij’ en warempel, daar komen uit Eastpaks en tote bags overal bundels tevoorschijn, en er wordt duidelijk meegelezen.
Joost stelt een redelijk kritische vraag over de nadruk op het talige aspect van de gedichten, de hoeveelheid binnenrijm. Zelf probeert hij niet te veel te herschrijven, opdat de authenticiteit van de tekst niet verloren gaat. Tim reageert verbaasd, vraagt zich af of de gedichten voor Joost dan niet authentiek aanvoelen terwijl hij ze duidelijk wél zo voelt. ‘Als ik ergens de pest aan heb, dan is het niet oprecht zijn’, zegt hij verontwaardigd, ‘ik snap dat het soms niet oprecht overkomt maar voor mij is dit oprecht en daar moet je het meer doen.’ Note taken. De gedichten zijn dan ook uit zijn leven gegrepen. Zelfs als er ‘(fictie)’ achter de titel staat.

We komen tijdens het interview veel over dat leven van Tim te weten: over zijn depressie tijdens zijn studie, over sociale angst, relaties die goed gaan of juist mis. Tim stelt zich toegankelijk en welwillend op, zelfs na een wat kritischer vraag. De afgelopen weken heeft menig niet-BN’er uit het literaire veld zich uitgelaten over Hofmans dichtkunsten: ‘quasi-diepzinnig’, werd er geschreven, ‘rijmelarij’, ‘cliché-matig’. Tim is zich er vast van bewust en maakt ook terecht de opmerking dat hij zich eigenlijk extra waar moet maken onder de spotlight van het sterrendom. Joost vraagt tegen het einde van de middag ‘Wie komt hier eigenlijk vooral voor Tim Hofman, in plaats van voor de bundel?’. Eén eerlijke hand gaat vertwijfeld omhoog. Tim komt met riposte: ‘Ik moet me natuurlijk altijd bewijzen, ook tegenover de literaire kliek. Maar alsof jullie allemaal zo goed zijn!’.

Joost vraagt ook naar het politiek engagement van Tim: hoewel zijn televisiewerk zeer geëngageerd is, valt dat aspect in zijn poëzie juist niet zo op. Tim is het met hem eens, maar benadrukt ook de functie van poëzie als een uitlaatklep: ‘Ik kan dingen aanraken door literatuur die ik bijvoorbeeld niet met mijn ouders durfde te bespreken’. Maar dat politieke engagement zien we wellicht nog wel terug in zijn volgende bundel: ‘Als het misgaat, en ik denk, we hebben nu een regéring zitten, die schrijf ik even helemaal de moeder.’

Hij heeft de zaal goed mee, iedereen om zijn pink gewonden. Als hij het gedicht ‘Dement to be’ voordraagt klinkt er een ‘holy shit’ vanachter in de kerk en daarna zelfbewust gegiechel. Tijdens de pauze blijkt hoe benaderbaar Tim is, ook voor het jongere publiek: ‘Dit gedicht heeft me echt heel erg geholpen’, zegt een meisje. ‘Dit raakte me’ zegt een jongen. Voor mij zitten twee meisjes driftig te schrijven aan wat verdacht veel op een CKV-verslag lijkt. Als Gelly Talsma opmerkt dat we nog wel uren door kunnen gaan met Joost als interviewer, fluistert de een tegen ander ‘Nou!’. Poëzie is kennelijk op een zeker moment toch gedoemd de luisteraar wat moe te maken. Maar ik vind het persoonlijk wel erg verfrissend om eens te zien wat er gebeurd als die poëzie een keer de deur wagenwijd open heeft staan voor ieder publiek, en dat is volgens mij wat Tim met zijn bundel bewerkstelligd heeft: toegankelijke poëzie, die de ophaalbrug van het fort over de gracht heeft geplaatst. ‘Ik hoop dat mensen mijn bundel lezen, en daarna die van jou’, zegt Tim tegen Joost. En belooft hem daarna een keer samen een ritueel te gaan doen à la die van de Amerikaanse dichter C.A. Conrad om tot poëzie te komen. Daar wil ik ook wel bij zijn.

Sommige mensen, merkte Joost op, kunnen zich enorm ergeren aan de gekunsteldheid van light verse. ‘Tja’, zegt Tim, ‘dan koop je het toch gewoon niet’. En aan het einde van het interview: ‘ik hoef helemaal nergens bij te horen. Ik wil gewoon mooie dingen maken.’ Don’t we all?

Esmé van den Boom

Foto: Jesje Veling