Drukken met een dichteres

We zitten aan lage tafels in een ruimte vol oude drukpersen, compleet met bakken vol letters, materialen om sjablonen te maken en potten vol mysterieuze vloeistoffen. De ruimte bevindt zich op de zolder van het Grafisch Museum, aan het einde van een klein doolhof van trappen, deuren en zalen. Het ruikt naar inkt en terpentine, zoals je van een grafisch atelier verwacht. De oude drukpersen mogen we onder geen beding aanraken, deze zijn namelijk kostbaar.

Renée Luth, organisator van deze workshop, stelt zich voor. Naast dichteres is ze ook kunstenares. Dit is voor haar een ideale combinatie, aangezien poëzie een bijzonder beeldend effect kan hebben op de luisteraar, en vooral visuele poëzie interesseert Luth. Tegelijkertijd is het vinden van deze balans niet makkelijk, want wanneer woord of beeld in deze verhouding overheerst ten opzichte van de ander, wordt het effect meteen tenietgedaan. Beeldende poëzie is hetgeen waar we deze avond mee zullen werken. Als voorbeeld geeft ze de stroming dadaïsme, die enerzijds bijzonder veel met beelden en opmaak werkt, maar anderzijds ook in haar taal- en beeldgebruik teruggaat naar de kindertijd (men denke hierbij aan gedichten als Boem Paukeslag).

Leren schrijven
HV_Woordenweger-02Maar hoe schrijf je nu een goed gedicht? Renée Luth geeft ons vijf basics mee. Eén: een gedicht is muziek. Werk tijdens het schrijven met de ritmes die de woorden creëren, herhaal het gedicht in je hoofd of hardop om er zeker van te zijn dat het goed loopt. Proza, zo legt Luth uit, is meer kabbelend naar het einde van de zin, naar het einde van de alinea. Maar poëzie is ritmisch. “Tk / dj-djm, tk / dj-djm” herhaalt ze.

 

Les twee: Laat je angst los. Als jij vindt dat iets een gedicht is, dan is het dat. Iemand uit de bezoekers vraagt plots indringend: “Maar is het gedicht nu wat er op papier staat, of wat je voordraagt?” Luth reageert door te zeggen dat hier verschillend over gedacht wordt; er zijn papierdichters en podiumdichters.
Les drie: Taal is speelgoed dat nooit opraakt. Deze uitspraak is eigenlijk van Kasper Peters, maar Luth maakt er dankbaar gebruik van. Durf vooral ook nieuwe woorden of spellingen te verzinnen, daar heb je in poëzie de vrijheid toe. Deze vrijheid trok Luth in haar kindertijd al aan, daarom is ze als “ongelooflijk dyslectisch kind” met poëzie begonnen.
Les vier: Zie een gedicht als een momentopname. In plaats van een hele dag te beschrijven, werkt het in poëzie veel beter om één seconde te kiezen, als een foto. Zodra het publiek deze foto voor zich kan zien, heb je een goed begin. Dit kiezen van de momentopname heet mise-en-scène en lokt de luisteraars mee. Voor deze momentopname kun je alle zintuigen gebruiken: hoe ruikt het, hoe ziet het eruit, hoe klinkt het?
Les vijf: Details zijn de grondstof van een goed gedicht, ze geven het geschreven werk eigenheid. “Daar bijvoorbeeld,” wijst Luth voor zich uit, “kan ik over schrijven: er ligt een witte sok om een paaltje heen gefrunnikt.” We giechelen, maar begrijpen de boodschap. Luth geeft voorbeelden uit de bekende poëzie: De idioot in het bad door Vasalis, het gedicht dat haar verliefd liet worden op de poëzie. Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen / Haast dravend en vaak hakend in de mat /
Lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen / Gaat elke week de idioot naar ‘t bad.
Je hebt maar heel weinig details over het uiterlijk van de ‘idioot’ gekregen, maar door de opgetrokken schouders, toegeknepen ogen en het haken in de mat is meteen een beeld neergezet. Ook personificatie kan helpen om een beeldend effect in een gedicht te creëren, zoals in Een appel door Toon Tellegen. Hierin wordt de menselijke vergankelijkheid neergezet door een appel te laten leven.

Aan het werk
Dan is het tijd om zelf te schrijven. Onze eerste opdracht: maak een gedicht over de stad met woorden van één lettergreep. Hier en daar puilen er ogen uit bij het horen van deze opdracht. Men gaat aan het krabbelen en al vrij snel wordt het stil. In het begin durft nog niemand om advies te vragen. “Heb ik dan helemaal niets te doen?” roept de dichteres uit. Na verloop van tijd gaat hier en daar een hand omhoog: of ze even wil komen helpen. Dus buigt Luth zich over het gedicht en noemt hier een vergelijking die goed getroffen is, daar een formulering die te letterlijk klinkt. Een enkeling tikt ritmisch met haar pen op tafel: ze kijkt of het aantal lettergrepen per regel overeen komt. “Dat kun je doen,” merkt Luth op, “maar als je teveel gaat tellen, verlies je je aandacht voor de inhoud.” Een ander merkt op dat haar gedicht per ongeluk is gaan rijmen, terwijl dit niet de bedoeling was. Maar het geeft niet, luidt het commentaar; een enkele rijm hier en daar geeft wel een speels, ongedwongen effect.

De tweede opdracht: schrijf een gedicht over hetzelfde onderwerp, maar met meer lettergrepen. Werken met een thema is volgens de een erg prettig, omdat je houvast hebt, maar volgens de ander een ramp, want je wordt begrensd. Tijd om naar elkaars gedichten te luisteren is er helaas niet, want schrijven en verbeteren kost tijd, zeker bij een gedreven publiek als dit. De derde en laatste opdracht is het schrijven van een gedicht met zes vergelijkingen, maar het onderwerp is vrij.

Druk en drukker
HV_Woordenweger-08Wanneer we een tijdje met dit tweede gedicht bezig zijn, roept Luth ons op om één gedicht uit te kiezen en dit te gebruiken om op een poster te drukken. Aangezien we nogal lang bezig geweest zijn om onze gedichten te perfectioneren, hebben we nog maar drie kwartier voor het drukken van posters; lichte stress wordt voelbaar.  De aanwezige directrice van het grafisch museum legt ons uit hoe we met de materialen moeten werken – er is de keus om sjablonen te knippen, drukletters te gebruiken of de verfrollers zo op papier te zetten. Natuurlijk mag er ook geëxperimenteerd worden, als we maar voorzichtig zijn met de dure spullen. We zoeken een plekje aan de werktafel en gaan aan de slag. De één kiest ervoor om een heel gedicht op te schrijven, de ander beperkt zich tot één regel, maar leeft zich uit op de grafische elementen, geheel in de stijl van het dadaïsme.

En nu krijgt Renée Luth het echt druk: van alle kanten komt “Renée, hoe doe ik dit? Renée, waar vind ik dat?” Iedereen wil zeker weten dat hij of zij het goed doet, terwijl ondertussen coördinator Anne de Haan nieuwsgierig toekijkt en mensen toespreekt wanneer zij verkeerd met het materiaal omspringen. “Hoe win ik zo veel mogelijk tijd?” vraagt een aanwezige aan Luth. Haar antwoord: “Leen of jat drukletters van anderen, of gebruik andermans sjablonen.” Zo gezegd, zo gedaan.

Al veel te snel is de tijd om, we hebben zoveel aandacht aan onze gedichten besteed dat we de posters niet allemaal af kunnen maken. De aanwezigen waren in het begin nog stilletjes aan het luisteren, maar gaandeweg bloeide het publiek steeds meer op en uiteindelijk leidden de gedichten en het drukken ook tot onderling contact en het uitwisselen van ideeën. Dat is misschien wel een van de mooiste dingen aan de taal: ze verbindt. Voor de volgende keer is het, aldus Luth en de aanwezigen, een goed idee om de workshop over twee dagen te verdelen. Maar dat is voor later; vandaag hebben we veel geleerd en genoten van het spelen met taal.

Door Rachel Raetzer

Foto’s Henk Veenstra