Recht voor z’n raap – De Dichtclub met ‘All Inclusive’

In de Kroeg van Klaas is het zo druk dat de dichters zich een weg moeten banen naar het podium. Het publiek is van allerlei slag en alle leeftijden. Men fluistert en wijst. Deze avond geldt als afsluiter van de Poëziemarathon; hier wordt de nieuwste Dichtclub-bundel All Inclusive besproken. Als eerste komt Marleen naar voren voor een toespraak. Zij was cafébaas van de vorige thuisbasis van de Dichtclub – dat haar naam droeg: Café Marleen – en heeft veel voor de groep betekend. Met trots presenteert zij dan ook ‘haar’ dichters, die gedichten uit hun nieuwste bundel komen voordragen. De bundels liggen gestapeld in een doos achter het spreekgestoelte, in de pauze mogen we ze voor minder dan een tientje kopen. Met een beetje geluk krijgen we dan zelfs handtekeningen van de dichters. “Of een telefoonnummer!” roept Richard Nobbe vanuit het publiek. Of een telefoonnummer, beaamt Marleen.

HV_klein-kvk-02De eerste bundel wordt plechtig uitgereikt aan lid van het eerste uur André Degen. Deze komt trots het podium op en kondigt aan dat de dichters dit keer in omgekeerde alfabetische volgorde zullen opkomen. De eerste is kersverse stadsdichteres Lilian Zielstra, die extra in het zonnetje wordt gezet omdat zij de vorige keer niet in de bundel stond. Haar gedichten maken een verdwaalde indruk, ondanks titels als Vrolijke vakantieliedjes en Au bain marie. Vakantie is het overkoepelende thema van haar gedichten – onder andere de vermoeiende uitspraak van Nederlandse vakantiegangers “Wat is het hier lekker rustig, hè?”

Ze wordt opgevolgd door Hanne Stegeman, die humoristische werken voordraagt – soms op rijm, soms niet. Het gedicht Bikiniklaar, waarin de zee haar best doet om af te vallen, lijkt een satirische aanklacht tegen de maatschappelijke druk om als vrouw een “bikinilichaam” te krijgen. Meisjesbroek is op zijn beurt klein en kwetsbaar, vertellend over een voorzichtige zoektocht naar intimiteit.

Philip Rozema is een tijdje niet bij de Dichtclub aanwezig geweest (shame on me, verklaart hij zelf) maar nu eindelijk weer terug. Het voordeel van langdurige afwezigheid is dat je een hoop nieuwe gedichten hebt om voor te dragen, zoals een gedicht over de vele loze woorden die onze taal kent en een werk over de vele betekenissen van zijn en staan. Een overeenkomst in zijn werk is het heerlijke, bijna altijd kloppende metrum.

HV_klein-kvk-05

En dan is het tijd voor onze eigen kleine megafoon: Joost Oomen. “Ik kom al, hoor,” roept hij vanaf de achterste rij, terwijl hij zich een weg baant door de menigte. Hij draagt “maar twee gedichten voor” – deze gedichten zijn echter allebei van een imposante lengte. Het eerste gedicht spreekt van een wanhoop, een ‘is-dit-alles’-gevoel. Het sluit af met een ontroerend Ik hou van jou. Oké doei. Een grote bek en heel stiekem een nog groter hart, lijkt de boodschap te zijn; dat is die typische Oomense zachtaardigheid. Gedicht nummer twee gaat over de verwarring tussen film en realiteit, en ook hierin horen we Joost zoals we hem kennen: hij schuwt geen enkel detail of taboe, maar heeft tegelijkertijd een ontroerende behoefte naar simpelheid en rust op zijn tijd.

HV_klein-kvk-07Na Joost komt Richard Nobbe op, die versteld staat van zijn bijdragen aan de bundel. “Wat een mooie foto van mij! En heb ik dit echt over mezelf gezegd? Fantastisch.” “Narcist,” wordt er naast me gefluisterd, maar Nobbe trekt zich er niets van aan en draagt met een onverstoorbaar zelfvertrouwen zijn gedichten voor. Vanaf zijn telefoon, want uitprinten is slecht voor het milieu. Hij draagt een existentialistisch aandoend gedicht door, waarin de ‘ik’ zijn beeldscherm om mysterieuze redenen schoonveegt met een plak kaas. En natuurlijk volgt als afsluiter een van zijn lijfgedichten: De Lange Jongen.

Dan volgt Renée Luth, beginnend met een gedicht ter ere van Rogi Wieg, die vanwege ernstige depressies euthanasie liet plegen. Het publiek is even stil om deze droevige mededeling en luistert naar Luths ode aan hem en zijn wil bergen te verzetten om beter te worden. Ook laat Luth een gedicht horen over haar eerste liefde; een Russische operazangeres. Het gedicht is doorspekt met Russische tussenwerpsels. Naast haar liefde voor het meisje werd ze door hordes jongens achterna gezeten, maar ze hield hen “genoeg aan het lijntje om het leuk te houden”, aldus de dichteres. Haar laatste voordracht is eveneens een liefdesgedicht, dit keer een verzoeknummer van haar metgezellin, die eveneens in de zaal aanwezig is.

Een ietwat vreemde eend in de bijt qua stijl is Hubert Klaver. Hij kent net als Joost geen enkel taboe en draagt een kort verhaal voor over een vrouw die ten prooi valt aan een necrofiel zonder dit door te hebben. Als de man uiteindelijk sterft door een lange val, verbeeldt Klaver dit met een ijselijke kreet. Het publiek zit, enigszins lamgeslagen door deze voordracht, te luisteren, om vervolgens een daverend applaus te geven aan deze zonderlinge meneer met zijn al even zonderlinge schrijftalent.

We bevinden ons bijna vooraan het alfabet; Sylvia Dragtstra is aan de beurt. Als ze wordt aangekondigd onder luid applaus, is ze nog maar halverwege haar gang naar het podium. Dus klappen we nog een keer, zodat het precies uitkomt met haar opkomst. Wat zijn we toch gezellig neurotisch met ons allen. Dragtstra draagt onder andere Dit zijn de lessen voor, daarnaast een gedicht over de actualiteit waar men duidelijk ISIS en/of Trump in door ziet schemeren, en tenslotte een ontroerend werk over een vrouw wier huis boven haar hoofd wordt afgebroken.

De volgende die André Degen aankondigt, is zichzelf. Hij doet dit met zichtbaar ongemak, maar gelukkig zien we allemaal de humor van de situatie in. Zijn gedichten zijn korter dan de anderen van vanavond, maar dat geeft hem de kans om er meerdere voor te dragen. Degen houdt van het maken van ready mades, waarbij je frases uit bijvoorbeeld krantenartikelen gebruikt om een gedicht samen te stellen, en draagt hier vier van voor.

Laatste (of eerste) in het alfabet is Rik Andreae (uitgesproken als “Andree”, niet “Andre-ai”). Hij draagt voor over de mappa mundi, de wereldkaarten die gemaakt werden toen men dacht dat de aarde plat was, en over zomerstormen. Even wanen we ons in het verleden.

“Waarschijnlijk dacht u dat we klaar zijn”, zegt Degen, “maar dat zijn we niet!” Er volgen nog een aantal gasten die hun kunsten komen vertonen. “Nu is het tijd voor de echte talenten”, fluistert iemand in het publiek – hopelijk hebben alle zeer getalenteerde dichters die al geweest zijn, dit niet gehoord. Er volgt dichteres Maaike Rijntjes, die een filosofische toon en een prettige stem heeft; dokter in opleiding Erik Loeffen, die eveneens veelbelovende gedichten met slimme woordwendingen voordraagt, en RUG-huisdichter Esmé van den Boom, die een gedicht voordraagt over tochtstrips. Ze heeft haar vriend gevraagd dit gedicht te mailen, zodat ze het (o gruwel) van haar telefoon kan voordragen – deze mailde dit met als onderwerp “Ik tochtstrip je helemaal de moeder”. Hilariteit en opgetrokken wenkbrauwen zijn het gevolg. Ze heeft in ieder geval wel lef om dit te vertellen.

Daarmee bleek deze avond van de Dichtclub, vol oude bekenden en nieuwe gezichten, een avond van veelzijdige onderwerpen, schrijfstijlen en voordrachten, maar met één overeenkomst: poëzie kan overal over gaan en geen onderwerp hoeft onbesproken te blijven. Blijf vooral zo recht voor z’n raap, Dichtclub. We hebben er weer van genoten.

Door: Rachel Raetzer

Foto’s: Henk Veenstra